Adembenemend verlangen

Een energieveld. Waaruit steeds andere vormen opdoemen. Lichamen. Bedolven onder onze blik. Het ene verheft het andere. Opgeslokt door de eigen dromen. Het bewustzijn choreografeert de grens van onszelf. Van lichamen die in fragmenten oplichten. Met een schreeuw tot inzicht gebracht.

To Come van Mette Ingvartsen opent ons een lichaam. Een extatisch lichaam dat ons voor een afgrond plaatst, waarvan we nooit zouden durven beseffen dat die zo diep zou zijn. De ijle ruimte baadt in een glanzend licht. Een constellatie van een handvol organische figuraties. Geëxposeerd als de blauwdruk van een proteïsch corpus. Inwisselbare gedaanten, verstild en ingeslapen. Om vervolgens opgenomen te worden in één groots gestileerde, zinneprikkelende beweging.

Lege emblemen van de verbeelding die schreeuwen om opgevuld te worden. Misschien een druppel. Als een blauwe vuurdruppel. Die uiteenspat. Over de scène krioelt. En weer samenvloeit. Misschien een traan. Als een melancholische traan die herinnert aan dionysische mozaïeken. Het zijn poses die een verlossing uitdragen. Een schijnwereld van kinetische sculpturen met de glorieuze missie van bevruchting. En hulde te brengen aan dat wat het Leven onverwoestbaar maakt: het Verlangen.

In de diepten van deze orgiastische belevenissen, van deze kansspelen met lichaam en droom overleeft de toeschouwer veelvormig, niet alleen samen met, maar ook in de telkens wisselende gedaanten. Een duistere dreiging wil bovendrijven. Zoiets als de angst om opgeslokt te worden door de eigen droom. Zonder te hebben begrepen waar het nu eigenlijk om draait. De leegte van het beeld absorbeert als het ware de energie van het imaginaire. Dat wat alleen als een afwezigheid in het bewustzijn kan verschijnen, wordt opgeroepen in een esthetische vorm. De enscenering van het verlangen an sich laat aanrakingen overstromen. Geen projectie. Geen objectivatie. Maar een tijdloze ervaring. En wel omdat elke beweging, elk gebaar van de gedaanten als schijnbaar en illusoir bekeken kan worden. De extase van het reële wordt gesimuleerd. De simulatie is de extase van het reële. Virtuele toespelingen van de verbeelding bezorgen de toeschouwer dan ook een ervaring die het verlangen als tijdloos voorstelt.

De machtige suggestie van een obscene, figuratieve beeltenis wordt onderbroken – of liever – doorbroken door een verkleedpartij. De vijf performers bieden elk een lichaam aan. Het blauwe, nauwaansluitende vlies werpen ze af voor eigentijdse fel gekleurde kledij. De buitenwereld wordt toegelaten. Wat het verlangen nu nog mist, is de macht van de muziek. De tijd treedt op. Maar de ruimte kunnen we zelf opvullen. Een blauw doek stroomt naar beneden. Duisternis overvalt ons plots. Stilte. Het licht stilaan weer op. De vijf performers staan vooraan. Hun gezicht gericht op iemand uit het publiek. Een opzwepend spel van kreunen glijdt uit hun mond. De blik van de performers verrast. Alsof ze ons op heterdaad betrappen. Zowel de toeschouwer als de performers raken aan en worden aangeraakt, met en door elkaars blik. En in de aanraking met de ‘ander’, wordt het ‘ik’ geraakt door zichzelf. De kreunen willen ons bezweren. Langs de ene kant bedrijven de performers de liefde met zichzelf. Het publiek maakt langs de andere kant deel uit van dit ritueel, zoals een voyeur.

Als in een allegorie van het hectische heden zo storten de vijf performers zich nog in een wulpse heksendans. De apotheose van de voorstelling verkondigt een boodschap van universele vreugde, maar mondt eerder uit in een goedlachse gekkebekketrekkerij. Liever had ik de blik verspeeld aan een verder uitdieping van deze hiërogliefen van het verlangen, van de erotiek van de doodsdrift. Misschien zelfs om opgeslokt te worden door de droom van een ander. Kijken had een soort droomduiding mogen blijven. Een interpretatie van een levensbeeld die ons steevast op onvoorzienbare, maar dwingende manier terugvoert naar de wereld daarbuiten.

- Daan Goor, http://www.urbanmag.be -